Het ontstaan van de Moderne Balinese Houtsnijkunst

Vooraf aan deze pagina, zouden wij u willen uitnodigen om ook de pagina ‘Pita Maha‘ te lezen. Die pagina en deze pagina over het ontstaan van de moderne Balinese houtsnijkunst, staan in nauw verband met elkaar en bieden het beste inzicht, als zij samen worden gelezen.

Er is voor gekozen om deze twee onderwerpen te scheiden, om het overzicht te bewaren in de uiteenzetting van beide onderwerpen.

Laten we beginnen met de definitie van het ‘moderne Balinese houtsnijwerk’. Daarmee bedoelen we niet het tegenwoordig op Bali verkrijgbare houtsnijwerk, maar de stroming van Balinees houtsnijwerk dat in de jaren ’30 van de vorige eeuw begon te ontstaan.

Velen omschrijven een groot deel van deze beelden als ‘art deco’ beelden. Dit soort beelden hebben dan ook veel overeenkomsten met Westerse art deco sculpturen uit deze tijd, echter werden deze Balinese beelden in hun tijd geen art deco beelden genoemd, maar moderne beelden.

De oriéntalist J. Kats omschreef de vormgeving van deze beelden als volgt:

‘met een minimum aan vormgeving, wordt een maximum van leven uitgedrukt’.

De moderne beelden werden gekenmerkt door een eenvoud aan vormen, waarbij de hoofdzaak krachtig werd uitgedrukt en de rest (aan details) voor een groot deel werd geminimaliseerd (of weggelaten). Echter, bestaat er ook een grote groep van deze moderne (art deco) beelden, die wel voorzien zijn van vele details in combinatie met een gestileerd uiterlijk. De details bestaan de vaak uit traditionele motieven en onderdelen, zoals gedetailleerd uitgewerkte kronen, sieraden en kledij. Dit zijn beelden die we kunnen zien als een kruising tussen deze minimalistische art deco beelden en de (vaak myhtologische) beelden zoals deze oorspronkelijk op Bali werden gesneden. Deze mix zorgt naar ons idee bij de goed gesneden beelden vaak voor de meest spectaculaire creaties en brengen dan ook de hoogtepunten van beide stijlen samen.

We zullen dit hoofdstuk beginnen met de 20ste eeuw. Niet omdat wij vinden dat hier de invloeden op het Balinese houtsnijwerk ontstonden, integendeel. Wel starten we hier, omdat er tot nu toe vaak werd gerefereerd aan deze periode en de ‘art deco’ wanneer het om de Balinese houtsnijkunst gaat, zoals deze zich ontwikkelde vanaf circa 1920/1930 en met name gericht was op de verkoop aan toeristen. Later in dit hoofdstuk, zullen we verder terug gaan in de tijd en een ander perspectief bieden op deze ontwikkeling.

Begin 20ste eeuw

Begin vorige eeuw kwamen er Westerse kunstenaars naar Bali om daar geïnspireerd te raken en te genieten van al het moois dat dit dromerige paradijs te bieden had.

De Westerse kunstenaars zullen dan ook zeker een invloed hebben gehad op de ontwikkeling van deze kunstvorm. Dat blijkt ook uit de deelname aan en de oprichting van een aantal van deze kunstenaars van de belangrijkste kunstenaarsvereniging van Bali uit die tijd, namelijk de Pita Maha, zoals eerder beschreven is in dit stuk.

In onze opinie wordt er soms teveel de nadruk gelegd op de invloed van Westerse kunstenaars op het ontstaan van de moderne Balinese houtsnijkunst, terwijl het veel vaker een samenwerking was tussen Oost en West en een uitwerking van de creativiteit van de Balinese kunstenaars. Dit neemt niet weg, dat er wel zeker ook vanuit Westerse kant enige invloed is geweest op de houtsnijkunst.

Een voorbeeld hiervan is, dat na de oprichting van de Pita Maha, de kunstwerken van de kunstenaars voor verkoop onder de naam Pita Maha, eerst gekeurd werden door de commissie van de Pita Maha. Op die manier werd de kwaliteit van de kunstwerken gewaarborgd. Let wel, dat de Pita Maha pas opgericht werd, nadat deze moderne stijl al bestond.

Het is niet te ontkennen dat de Pita Maha een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling en promotie van het moderne Balinese houtsnijwerk. Maar ook voor het kunnen ontstaan van de Pita Maha moesten er eerst de nodige andere ontwikkelingen plaatsvinden. Ook na het stoppen va de Pita Maha, ging de ontwikkeling van het moderne Balinese houtsnijwerk door en ontstonden er nieuwe vormen en stijlen binnen het houtsnijwerk, wat we ook nu nog duidelijk zien gebeuren. En al ruim voor de oprichting van de Pita Maha werd deze moderne houtsnijkunst al gemaakt!

U zult daarover meer lezen in het hoofdstuk ‘Pita Maha’, maar ook in dit hoofdstuk.

Het ontstaan van art deco en de invloed hiervan op de moderne Balinese houtsnijkunst.

Deze paragraaf schrijven wij, omdat binnen de Balinese houtsnijkunst, vaak wordt gesproken over ‘art deco’ beelden. In feite zijn dit moderne Balinese beelden, meestal zo rond de periode 1920-1980 vervaardigd. Volgens velen was het hoogte punt waarop deze beelden werden gesneden zo rond de jaren ’30.

Het is in sommige gevallen heel duidelijk, dat Westerse art deco beelden en Balinese moderne / art deco beelden veel overeenkomsten vertoonden, zoals hieronder te zien is:

We zien links een Westers brons art deco sculptuur van een boogschutter. Rechts zien we een Balinese houten uitvoering van een boogschutter. Qua compositie en pose zijn er zeker overeenkomsten te vinden. De houding van de armen, waarvan er 1 recht en de ander gebogen is, beide in een vergelijkbare gespannenheid. Ook het linkerbeen, dat gebogen is en waarop de boogschutter rust op de bal van zijn voet. Tevens de grote boog, die het geheel versterkt, is duidelijk een overeenkomst. Verder zien we ook veel verschillen: namelijk in de houding van het andere been, de aanwezigheid van een pijl, welke bij veel Westerse art deco boogschutters niet aanwezig was, maar nog veel belangrijker: het hele verder uiterlijk is totaal anders. Het beeld is daarmee helemaal niet zo Westers: waar de bronzen uitvoering realistisch is vormgegeven, anatomisch correct, gespierd en ook een realistisch gezicht, zien we bij het Balinese beeld een verlenging van de ledematen en het lichaam, een gestileerd uiterlijk, ook in het gezicht en gedetailleerde kledij, voorzien van Balinese motieven. Het beeld is meer Balinees, dan Westers.

Maar..hoe komt dit? Is het wel zo dat de Balinese art deco beelden zijn voortgekomen uit de Westerse art deco beelden? Om dit en de beïnvloeding van de Westerse wereld op de Balinese houtsnijkunst te begrijpen, hebben wij een korte uitleg over de Westerse art deco periode geschreven..

In de jaren ’20 was in het Westen de kunststroming art deco erg populair. Het was een interessante stijl, met veel kracht: sterke vormen, hoekige lijnen en een strakke afwerking. Het was populair onder vele kunstenaars uit het Westen. Een aantal van hen, reisde later af naar Bali, na het horen van verhalen over dit prachtige, weelderige eiland, waar het enige dat mooier was dan het eiland, de vrouwen waren. Een omgeving, die het kunstenaarsbrein natuurlijk optimaal prikkelt en van inspiratie voorziet! De art deco stijl zullen de Westerse kunstenaars destijds zeker bewust of onbewust hebben meegenomen naar Bali.

De art deco omvatte verschillende stijlen, zoals het expressionisme, kubisme, modernisme en functionalisme en was soms lastig te onderscheiden van de art nouveau.

Het art deco komt ook deels voort uit de art nouveau: enkele belangrijke grondleggers van de art deco waren dan ook bekende en belangrijke art nouveau kunstenaars.

De naam ‘art deco’ is ontleend aan de grote expositie voor moderne decoratieve kunst, de “Exposition des Arts décoratifs et Industriels modernes”, die in 1925 in Parijs gehouden werd. Het ging dus om decoratieve kunst, art décoratif. Hieronder ziet u een afbeelding van deze expositie en de bij behorende gebouwen. Daaronder een afbeelding van het Hollands Paviljoen op deze Expositie.

In de art deco kwamen naast invloeden vanuit de art nouveau ook veel invloeden naar voren van verre culturen: geometrische patronen die men met name zag in de architectuur en ‘heilige’ gebruiksvoorwerpen van culturen in Afrika, Azië en Midden- en Zuid-Amerika. Duidelijk werd hier de Westerse stijl beïnvloed door niet-Westerse stijlen!

De art deco laat zich dan ook lastig pakken in één bepaalde stijl, door deze combinatie van stijlen.

Dat zien we ook terug in het Balinese houtsnijwerk, waar door de jaren heen de stijl veranderde. Wel zien we daarin overeenkomsten met de Westerse art deco, of is het andersom en zien we juist Balinese invloeden terug in de Westerse art deco? Daarover later meer..

Kenmerkend voor deze Balinese beelden zijn o.a. de meer gestileerde figuren, waarbij uitbundige versieringen vaak uitbleven en alleen het hoofdonderwerp of bijv. de expressie op een gezicht gedetailleerd werd gesneden. Meer hoekige en krachtige vormen kwamen naar voren. Anders dan bij Westerse art deco beelden zien we de kenmerkende verlengde vormen van de armen, benen, vingers en voeten. .

Het houtsnijwerk, maar ook bijvoorbeeld de stenen sculpturen op Bali, kende men in het Westen voornamelijk van hun erg uitbundige stijl: weelderige bloempatronen, drukke geometrische vormen en zeer gedetailleerde versiering van kledij, kronen enz. vaker wel dan niet gerelateerd aan de inheemse geloofsovertuiging, waarbij achter veel patronen, symbolen en figuren een diepere betekenis zat.

De Westelingen die Bali bezochten in die tijd, noemden het vaak een ‘overdaad een ornamentiek’. Het was voor die tijd niet chique genoeg en passé. Tegenwoordig zou men zeggen: kitsch.

Laten we niet vergeten, dat dit enkel de Westerse manier van kijken was!

Wie beïnvloedde wie?

Er wordt veelal gezegd dat de Westerse kunstenaars uit de tijd van de Pita Maha, waaronder Rudolf Bonnet en Walter Spies, de Balinese kunst hebben beïnvloed en hebben bijgedragen aan de ontwikkeling hiervan, waardoor de stijl dusdanig veranderde en er een meer ‘Westerse stijl’ te herkennen was in deze beelden, de inmiddels zo genoemde art deco stijl. Dat is niet vreemd, want dit was immers ook een doel van de Pita Maha: “het beïnvloeden van de inheemse kunst”. Echter wordt vaak vergeten dat naast Rudolf Bonnet en Walter Spies, zeer invloedrijke Balinese deelnemers tot de Pita Maha behoorde. Zonder deze sleutelfiguren, was het mogelijk nooit gelukt om überhaupt een verandering te weeg te brengen. Het ging dus veel meer om een samenwerking, een gelijkwaardig aandeel, dan om enkel een beïnvloeding die door het Westen tot stand is gekomen. Wij zeggen dit, zonder afbreuk te willen doen aan de waardevolle bijdragen die Rudolf Bonnet, Walter Spies en vele andere kunstenaars hebben geleverd aan de Balinese kunst.

Dat er, voor de komst van de meeste Westerse kunstenaars al ‘moderne vormen’ te vinden waren in de Balinese cultuur, zult u zo lezen.

Aangenomen werd, dat de Balinese stijl, voor de komst van deze Westerse kunstenaars, vrijwel alleen bestond uit de uitbundig uitgewerkte kunstwerken, zoals gezegd terug te zien in de traditionele tekeningen en beelden en dat deze met name een godsdienstig doel hadden. Deze nieuwe stijl, zou enkel of vooral te wijden zijn aan de inmenging van Westerse kunstenaars, werd tot nu toe aangenomen.

Dat klopt niet naar ons idee!

Als we verder teruggaan in de tijd, zien we dat bijv. de uitbeelding van alle daagse praktijken altijd al heeft bestaan in de Javaanse en Balinese kunst. Niet op zo’n grote schaal, maar het was er zeker.

Ook de langgerekte lichaamsdelen en zeer minimalistische vormgeving zijn terug te vinden in bijv. wayang figuren, het Tjili figuur en in Balinese godenbeelden, waarbij bijv. de tong of de vingers enorm lang(gerekt) waren, maar ook in sculpturen van andere eilanden. Bij het Tjili figuur is de stilering vaak zelfs zo ver gegaan, dat enkel nog geometrische vormen zijn te herkennen en er enkel met een grote fantasie nog een mensfiguur kan worden onderscheidden. Dit zien we bijv. al in de prachtige omslagdoeken (kain’s) die gemaakt werden, al ver voor de komst van de Westerse kunstenaars die de art deco stroming met zich mee brachten.

Het Tjili figuur kwam o.a. veel voor op lamaks. Lamaks zijn tempelversieringen, gebruikt om de aandacht te vestigen op de offers die klaarstonden, zodat de goden en geesten de weg naar deze offers wisten te vinden. Vervolgens kon de kracht en zegening van de goden en geesten via de lamak zijn weg vinden naar de aarde. De lamak hing dan ook hoog op de plek waar de offers stonden en komt (bijna) tot aan de grond. Walter Spies heeft in de tijd dat hij op Bali was, honderden van dit soort Lamaks verzameld. Het Tjili figuur stelt de rijst godin Dewi Sri voor, de godin van vruchtbaarheid. Hieronder ziet u twee foto’s van twee oude Lamaks, afkomstig van de New York Public Library:

De afgebeelde figuren zijn is de Tjili figuur. Zoals u ziet, doet deze modern aan (en worden deze nog steeds min of meer in deze vorm uitgebeeld, in diverse variaties). Toch is het Tjili figuur al erg oud en was het ook voor de komst van Westerse kunstenaars al een bekend en veel gebruikt motief op Bali! Hieronder ziet u een grotere weergave van zo’n Tjili figuur.

Ook de oude Kamasan schilderijen vertonen figuren waarbij lichaamsdelen langgerekt zijn afgebeeld, zoals armen, vingers en/of het lichaam. Deze schilderstijl wordt beschouwd als de ‘oude’ schilderkunst van Bali en gaat terug tot een circa de 17e eeuw. Deze schilderingen werden aangebracht, niet ten behoeve van enkel hun schoonheid of als kunstuiting, maar om een verhaal uit te beelden. Verhalen over goden, met daarin belangrijke levenslessen werden op deze manier overgebracht. In een tijd waarin maar weinig mensen schrift konden lezen, was dit een belangrijke manier om kennis te delen. Deze schilderijen werden met name vervaardigd voor tempels of paleizen en hadden naast hun onderwijzende functie, ook een goddelijke functie: bedoeld als ‘offer’ aan de goden.

Hieronder ziet u details van een Kamasan schilderij uit de 19e eeuw. Het is een detail van een schilderij dat uit de collectie van het ARMA museum op Bali komt, genaamd Arjuna Living as Ascetic. Duidelijk aanwezig zijn de langgerekte armen en vingers.

Daarnaast zien we hier dat er een meer hoekige vorm van het hoofd gebruikelijk was, zoals we dat ook bij veel traditionele polychroom beelden uit de 19e eeuw tot aan circa begin 20ste eeuw op Bali zagen. Hieronder ziet u een polychroom beeld in een vergelijkbare stijl als de Kamasan schilderijen. U ziet, dat het beeld en de geschilderde figuren vele overeenkomsten vertonen: in kleurstelling, maar ook voor een groot deel in vormgeving. Deze Kamasan stijl, werd dus ook toegepast op houten beelden. Hiermee zien we ook, dat de meer vierkante lijnen, langgerekte vormen en krachtige vormgeving in zowel het schilderwerk als het houtsnijwerk al aanwezig waren.

De Kamasan schilderijen worden ook wel ‘Wayang’ stijl genoemd. De stijl vertoond dan ook veel overeenkomsten met de Wayang poppen, zoals deze ook al eeuwen gebruikt werden op Java en op Bali. Hoewel de Wayang figuren met name vaak in het gezicht een ander uiterlijk hebben wanneer het om bijv. goden en godinnen gaat, zien we zeker gelijkenissen in de vorm en lengte van de armen en vingers en in de slanke, lange lichamen van sommige Kamasan figuren en zeker ook in het gezicht van bijv. demonenfiguren.

Wayang werd op een andere manier uitgebeeld, zoals voor velen bekend door o.a. het schaduwspel. In de wayang figuren zien we dan ook nog een voorbeeld, waaruit blijkt dat het uiterlijk van de Balinese beelden gemaakt vanaf circa de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw voor het toerisme veel overeenkomsten vertoond met de al eeuwenoude bekende kunst en figuren op Bali. Want ook bij de toenmalige moderne houtsnijkunst zien we een verlenging van de ledematen en vaak slanke gestalten.

Hierboven ziet u een Wayang Kulit figuur. Duidelijk zien we een slank, lang lichaam met zeer lange, slanke armen en lange vingers. Dat komt enorm overeen met de foto hieronder: ook hier zien we een figuur met een slank, langgerekt lichaam, met lange armen en vingers. Zelfs de handhoudingen lijken op elkaar. Dat is ook niet zo vreemd, want handhoudingen waren erg belangrijk. Deze hadden vaak een specifieke betekenis en worden vaak mudra’s genoemd.

Als laatste brengen we nog een voorbeeld in, waaruit blijkt dat zeker de langgerekte en slanke vormen al voor de introductie van het moderne Balinese houtsnijwerk en de komst van het Westerse art deco aanwezig was op Bali. Hieronder ziet u namelijk een Kepeng figuur. Het is gemaakt voor 1900 uit oude, Chinese kepeng munten en bevind zich in de collectie van het Tropenmuseum. Dergelijke figuren werden gemaakt als teken van welvaart, maar ook met het doel dit aan te trekken. De meest bijzondere figuren hebben een gezicht vervaardigd uit een geheel gouden plaatje. Sommigen zijn gekleed met stoffen. Ook dit figuur is een zeer gestileerd figuur, we zien enkel een gedetailleerde beschildering van het gezicht, welke is uitgevoerd in de klassieke Balinese of Kamasan stijl. Het lichaam is zeer slank, de armen en benen zijn erg lang, net als bij de latere moderne Balinese beelden.

We kunnen concluderen, dat deze gestileerde en langgerekte vormen al volop aanwezig waren op Bali, eeuwen voor de komst van Westerse kunstenaars. Daarnaast weten we dat Westerse kunstenaars zich juist hebben laten beïnvloedden door exotische kunstwerken bij het ontwikkelen van nieuwe stijlen als het kubisme. Zoals gezegd kwamen veel van deze stijlkenmerken van andere culturen uit Afrika en Midden-Amerika.

Picasso

Wellicht het meest bekende voorbeeld hiervan is de kunstenaar Picasso.

Hij zou zich dan ook hebben laten inspireren door een Afrikaans beeldje dat in het bezit van Matisse was, voor het maken van zijn beste werk.

In 1907 bezocht hij het Ethnographic Museum van Trocadero in Parijs. Hier was het, waar hij als eerste geïnspireerd raakte door Afrikaanse kunst. Iets wat zou leiden tot het schilderen van zijn meest iconische werken, zoals Les demoissels d’Avignon. Hierdonder ziet u bijvoorbeeld het werk: Head of a Man en hoe deze geïnspireerd is op een Afrikaans masker qua positionering en lijngebruik.

De foto is afkomstig van het Nelson-Atkins museum uit de tentoonstelling Through the Eyes of Picasso. Uit deze tentoonstelling komt onder andere deze tekst:

The strong outlines, bold patterns, and surprising silhouettes of many African and Oceanic works challenged and inspired Picasso’s own understanding of how a body could be represented.”

Maar het waren zeker niet alleen Afrikaanse objecten die hem inspireerde. Ook sculpturen uit Oceanië en Amerika zorgde voor veel inspiratie. Elementen hiervan zien we dan ook geregeld terug in zijn werken, zoals hieronder goed te zien is. De lijnen van het beeld rechts, komen overeen met het schilderij, zeker vanaf de onderbuik en de schaamstreek, maar ook de hoekige vormen in het gezicht en de armen, inclusief hoe er gebruik is gemaakt van het zwart, wat hoekige vormen benadrukt, zoals dat ook terugkomt in de schaduw van het beeld, zoals te zien bij bijvoorbeeld de oksels.

Beïnvloeding van het Westen: oude kunst uit Oceanië, Afrika en de Amerika’s

Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel bekende kunstenaars uit die tijd, ook exotische beelden verzamelden. Uit Afrika, maar ook uit Azië en Oceanië. Bij deze oude exotische beelden, zien we vaak enorm gestileerde figuren met zeer krachtige vormen: sterke lijnen, een hoekige stilering, een minimalistische vormgeving enz.

Zouden we hiermee kunnen zeggen dat de Westerse kunstenaars zijn beïnvloed daar de kunstwerken uit verre culturen en zij op hun buurt dit weer meenamen naar o.a. Bali, waar zij op hun beurt, de Balinezen weer inspireerden?

Verderop in dit stuk, is een stuk opgenomen uit een interview, behorend bij de  ‘Expositie-Balica’ in kunstzaal Kolff gehouden in 1934, de eerste expositie met modern Balinees houtsnijwerk, wat dit onderbouwd.

De kenmerken van o.a. de art deco bestonden al eeuwen in deze verre landen, waaronder Indonesië. We zien dat terug in bijvoorbeeld de beelden die gemaakt werden voor goden- of voorouderverering. Op de foto hieronder ziet u bijvoorbeeld een beeld afkomstig van het eiland Nias in Indonesië. Verzameld in 1919 en gemaakt in de 19e eeuw. Het beeld vertoond een zeer gestileerde vormgeving, met strakke lijnen en langgerekte vormen. De wenkbrauwen zijn scherp aanwezig en lopen over in een smalle, gestileerde neus. Ook de ogen en de mond zijn gestileerd, evenals de haren. Deze overeenkomsten zien we dan ook zo terug in het Balinees houtsnijwerk gemaakt in de jaren ’20, ’30 en ’40. En dit is zeker niet het enige voorbeeld, zoals u verderop zult zien.

Al eeuwen lang was er veel contact tussen o.a. de Indonesische eilanden onderling, bijv. vanwege de handel, maar ook door migratie. Eeuwen geleden vonden er al huwelijken plaatst tussen Koninklijke families en belangrijke figuren van verschillende eilanden om macht en invloed uit te breiden, onderlinge banden aan te halen en de grenzen te versterken. In het Javaanse rijk van Majapahit werden er op deze manier bijv. al huwelijke gesloten tussen Balinese en Javaanse Adellijken, maar ook tussen Sumatraanse en Javaanse Adellijken. Gebruiken, voorwerpen en andere zaken werden dan ook mee- en soms overgenomen of vermengd met de lokale gebruiken. Op een later moment, zullen wij aan deze website nog een uitgebreid stuk toevoegen over de geschiedenis van het o.a. Hindoeïsme in Indonesië.

Er werd dan ook volop gehandeld in textiel, specerijen, maar ook in bijv. goud en zilver. Van Java is bekend dat het eeuwen geleden al bekend stond als het ‘Goud-eiland’ , terwijl er op Java geografisch gezien vrijwel geen goud aanwezig was, dit werd geïmporteerd. Door de onderlinge handel, stond Nederlands-Indië ook al eeuwen in contact met hun buurlanden, maar ook met landen die verder lagen: bijv. door de handel met de Hollanders, maar ook door handel met de Chinezen en zelfs met Afrika. Deze hadden ook weer handelspartners in andere delen van de wereld, waardoor er toen al producten van over de (toen bekende) hele wereld bereikbaar waren voor de welgestelden.

Zo zijn er eeuwen geleden veel Hindoe’s en andere gelovigen vanuit Indonesische eilanden naar o.a. Bali gekomen, nadat o.a. Sumatra en Java grotendeels Islamitisch werden. Op deze eilanden (en anderen) leefden verschillende volken en waren er verschillende geloven en gebruiken, zoals het Animisme en was er veelal sprake van voorouderverering. Ook kwamen er veel verschillende bevolkingsgroepen uit andere delen van Azië, zoals uit China, welke een grote invloed hadden op de inheemse kunst, getuige de vele (bekende) objecten uit Indonesië waarbij Chinese invloeden te zien zijn. Deze Perenakan Chinezen waren vaak welgesteld en hadden voldoende financiële middelen om zich kunst te kunnen veroorloven. Zij namen kunst mee, maar lieten ook inheemse kunst maken op bestelling, aangepast naar de Chinese smaak. Zo zijn er bijv. prachtige lakwerk objecten uit Sumatra te vinden, met Chinese beschilderingen, goud- en zilverwerk met Chinese patronen en Balinees houtsnijwerk met voorstellingen van Chinese figuren. Hieronder ziet u zo’n voorbeeld: Links ziet u een traditionele Sumatraanse bruidskist, zoals deze vervaardigd werden in Palembang. Deze werden in de slaapkamer van het echtpaar geplaatst, vaak naast het bed en hierin werden kostbaarheden, zoals sieraden bewaard. Rechts ziet u een detailfoto van de doos die bij deze bruidskist hoort. U ziet een duidelijke Chinees geïnspireerde tekening in het lakwerk: een feniks. Ook op de bruidskist zien we Chinese tekens terug.

Tot op de dag van vandaag zien we in Indonesië dat op veel plekken het geloof niet enkel te vatten is in slechts één geloof. Op veel plekken is de Islam het hoofdgeloof, maar zien we daarmee verweven nog veel gebruiken van bijv. voorouder verering of animisme.

Het kan dan ook haast niet anders, dan dat de verschillende bevolkingsgroepen ook met elkaars kunsten in aanraking kwamen, al werden bijv. beelden voor voorouderverering nooit als kunstvoorwerp gezien door de eigen bevolking. Dit waren heilige objecten met een duidelijke functie.

Deze beïnvloeding van elkaar, zien we bijv. ook in het wajangspel, wat bijv. verschillend is op Java en Bali, maar op beide eilanden voorkomt en grote overeenkomsten vertoond.

We zien dat dus ook zeker aan de antieke beelden afkomstig van onder andere Nias.

Hierbij zien we zeer krachtige vormen. Sommige van deze figuren doen zelfs nu modern aan en laten veel gelijkenissen zien met beelden uit de Balinese art deco periode, bijv. een voorouder beeld uit Nias en een art deco priester beeld van Bali.

Ook weer in het uit Nias afkomstige beeld hieronder, ziet u bijvoorbeeld de gestileerde vormgeving die later ook in het Westen populair werd. Daarnaast vertoond het heel veel overeenkomsten met het moderne Balinese (art deco) houtsnijwerk dat zich vanaf de jaren ’20 ontwikkelde: een gestileerde vormgeving, krachtige en strakke lijnen, zeker terug te zien in de wenkbrauwen die overlopen in de neus en haast amandelvormige ogen. Dit is haast exact zo als bij Balinese moderne beelden uit circa de jaren ’30. Ook de zittende houding al dan niet op een verhoging, zien we veel terug bij de Balinese houtsnijkunst uit de jaren ’30.

Om vast even samen te vatten:

  1. De stijlkenmerken van de art deco waren altijd al aanwezig geweest in o.a. Indonesië en zeker ook op Bali.
  2. De Westerse kunstenaars en kunstvormen die invloed hebben gehad op de Balinese kunst, zijn zelf eerder beïnvloed en/of in contact gekomen met/door stromingen die voortkwamen uit exotische ‘kunst’, zoals inheemse beelden uit Indonesië en Afrika, waardoor de Westerse kunst veranderde en o.a. een meer gestileerde stijl onstond.

De beïnvloeding en bevordering van kunst op Bali

Lange tijd werden bepaalde ambachten niet als ‘kunst’ gezien op Bali. Het begrip kunst bestond dan ook niet. Zaken als houtsnijwerk, zilveren voorwerpen, schilderingen enz. hadden een functie en waren al dan niet gebruiksvoorwerpen. Degene die dit maakte, was geen kunstenaar, maar zag dit als zijn religieuze en traditionele taak. Het was zijn rol in de maatschappij, zoals ieder zijn rol had. Veelal was er dan ook geen sprake van een ambacht, het was iets dat naast het eigen werk werd gedaan en vanzelfsprekend was. Een vrouw, deed naast haar taken als moeder en huisvrouw, ook het spinnen van kleden. De man, deed naast zijn werk, ook timmerwerk aan het eigen huis en bracht al dan niet versieringen aan. Enkel in de grotere plaatsen, kende men ambachtslieden die zich hoofdzakelijk bezighielden met dit ambacht. Dit was vaak in de buurt van de vorstenhuizen, waar men voor werkte. De beste houtsnijders en goudsmeden werkten voor het hof. Hun vaardigheden waren tot in perfectie uitgewerkt en de mooiste stukken kwamen van hun hand. Het waren vaak ambachten die al generaties lang van vader op zoon of moeder op dochter overgingen en waarbij dus veel kennis aanwezig was. Zo konden de beste technieken worden toegepast met de meest ingewikkelde versieringen. Dit was mogelijk, doordat de vorsten al generaties lang voorzagen in het levensonderhoud van deze ambachtslieden.

Zoals Tjokorde Gde Rake Soekawati, lid van de Pita Maha en vorst van Ubud, zei in een artikel dat hij schreef: “het waren de vorsten die vele ambachten in bescherming namen, de beoefening ervan aanmoedigden en tot hooge ontwikkeling brachten

De vorsten waren dus altijd de beschermheren van de kunsten geweest. Dit zien we ook terug aan de prachtige objecten die veelal in musea en privécollecties te vinden zijn, oorspronkelijk gemaakt voor de vele vorstendommen die Bali kende. Dit waren hoogstaande objecten, objecten welke we nu aanmerken als kunst, maar welke eerder een functie hadden, een gebruiksvoorwerp waren.

Verschuiving van opdrachtgevers, regels en waardering

Zoals beschreven, werden deze taken voor het hof en de gemeenschap gedaan uit plichtsbesef en/of voor onder andere het verfraaien van het eigen huis of het maken van eigen kledij. Er zat geen winstbejag achter, er viel over het algemeen weinig mee te verdienen. Met de komst van meer toeristen, veranderde dit enigszins. Ook de tijdsgeest veranderde, waarin normen en waarden soepeler werden. Men werd niet meer zo strak aangekeken op enkel het vervullen van de eigen taken voor de gemeenschap. Ook werd er steeds wat minder vastgehouden aan de strikte voorschriften hoe bepaalde figuren in het beeldhouwwerk er uit moesten zien, waardoor hierin zich ook langzamerhand meer variaties ontwikkelden.

Er ontstond langzaam ook een behoefte voor wat meer luxe. Eerst door voor zichzelf zaken te vervaardigen en te verfraaien, vervolgens om dit kleinschalig te verkopen. Er ontstond dus een bepaalde marktwerking voor bepaalde ambachten, zoals houtsnijwerk. Binnen de eigen gemeenschap, bijv. door verkoop op de lokale markt en daarnaast door verkoop aan de toeristen. Hiermee ontstond er ook ruimte voor ‘kunst’.

Deze ruimte was er niet alleen meer in maatschappelijk opzicht, maar ook op financieel gebied. Zoals we schrijven in het hoofdstuk ‘Pita Maha’, ontstond er met de komst van het groeiende toerisme een nieuwe inkomstenbron. Deze inkomstenbron was relatief groot, waardoor er een bestaan opgebouwd kon worden met grotendeels of enkel de vervaardiging van objecten die toeristen kochten. Automatisch is hierdoor meer tijd beschikbaar om aan de vervaardiging van dit object te besteden. Waar er eerst geen tijd was om bijv. een houtsnijwerk te maken, omdat de andere baan alle tijd en energie opslokte, was de andere baan nu niet meer of maar deels nodig. Het is niet voor niets, dat het aantal houtsnijders in de jaren ’30 explosief groeide.

Inherent aan het meer kunnen besteden van tijd aan het vervaardigen van (kunst)objecten en o.a. het houtsnijwerk, is vaak ook het meer kunnen ontwikkelen van de vaardigheden die hiervoor nodig zijn. Zo kon de kwaliteit groeien, maar kon er ook meer geëxperimenteerd worden.

Er vond dus een verschuiving plaats van de bekostiging van deze ambachten: waar dit eerder werd bekostigd door de vorsten, werd dit nu steeds meer gedaan door toeristen. Ook wel: waar het eerder de vorsten als opdrachtgever voor dergelijke objecten waren, werden dat nu steeds meer de toeristen.

En met die verandering van opdrachtgever, veranderde ook de objecten. Waar de vorsten veel waardering hadden voor de perfect gemaakte traditionele objecten, waarin veel tijd en aandacht werd gestoken, vaak gemaakt uit kostbare materialen als goud en edelstenen, waren het nu de toeristen die vooral graag een aandenken wilden aan hun reis. Zij wilden niet zo lang wachten op een object: het moest vooral al klaar zijn of gemaakt kunnen worden tijdens hun verblijf. Ook besteedde zij minder geld aan deze ‘souvenirs’. Hierdoor werd er ingeboet op kwaliteit. Er was minder tijd en geld om een object te maken, maar ook werd er met andere ogen naar gekeken. De gemiddelde toerist was minder kritisch en wist vaak niet hoe een goed stuk er behoorde uit te zien.

Maar doordat hun aantallen groter waren, kon er toch relatief meer verdiend werden.

Een interessant voorbeeld hierin, is bijvoorbeeld de vervaarding van Djokja en Balinees zilver. Dit is in gigantische aantallen gemaakt. Westerse toeristen kochten in de jaren ’30 en daarna maar wat graag zilver, een edelmetaal dat in het Westen erg gewaardeerd werd. Sieraden, borden, kaarsenstandaards, asbakken, u kunt het zo gek niet verzinnen en het werd gemaakt. Waar voorheen bijv. offerschalen vooral werden vervaardigd uit goud en voor de minder bedeelden uit hout of vlechtwerk van natuurlijke materialen, werd er voor de toeristen nu veelvuldig zilver toegepast. Op veel plekken in het toenmalige (Nederlands) Indië, werd door de lokale bevolking het zilver niet gewaardeerd. Sterker nog, in veel gebieden weigerde men zilveren sieraden te dragen: het werd gezien als teken van ‘armoede’: men was niet rijk genoeg om goud te kunnen betalen.

Wel moeten we zeggen, dat veel zilveren objecten die zo rond de jaren ’30 op Bali werden gemaakt, van uitzonderlijke kwaliteit waren en veelal met traditionele motieven, vaak nog net zo als deze voor de vorsten werden gemaakt, maar dan in het goud. Het is dan ook niet zo gek, dat ook nu nog Balinese (zilver)smeden worden gezien als de beste ter wereld: veel (luxe) sieraden merken, laten hier hun sieraden vervaardigen.

Eigenlijk, zouden we daarin nog veel verder terug kunnen gaan in de tijd. Want al sinds de komst van het Westen in Indië, werden er in de koloniale periode objecten gemaakt en aangepast naar de smaak en in opdracht van Westerlingen. Prachtig 17e eeuws zilverwerk, tropisch houten meubelen en gebruiksvoorwerpen bereikten hun hoogtepunt tijdens deze periode. We zien hierbij dat de Westerse smaak zich vermengde met de lokale smaak: lokale patronen en versieringen werden toegepast op Westerse objecten.

Andersom had dit ook zijn invloed: in deze periode wilde vooral de Vorsten zich gelijkstellen aan de Westerse koloniale heersers: Zij zagen Westerse meubelen als toppunt van chique en de Vorstenhuizen werden dan ook veelvuldig ingericht met Westers (uitziende) kroonluchters, spiegels en banken. Hieronder ziet u bijvoorbeeld een deel van het interieur van het hof (de Kraton) van Jokjakarta. Een prachtig interieur met vele Westerse invloeden. Een geweldige mix van Oost en West.

Maar goed, vanaf het begin van deze koloniale periode werd Bali redelijk met rust gelaten. Invloed werd vooral uitgeoefend op Java en de Molukken. En we houden het in dit hoofdstuk voor nu verder even bij Bali, waar de inmenging van het Westen in het begin van de 20ste eeuw steeds groter werd.

Om dan even terug te gaan naar de ontwikkeling van de Balinese kunstenaars: de Balinese kunstenaars hebben dus een natuurlijke ontwikkeling doorgemaakt, waarbij zij van ambachtslieden tot kunstenaars uitgroeiden, toen hier op natuurlijke wijze meer ruimte voor ontstond door de modernisatie van de eigen samenleving en de groei van het toerisme.

Deze flexibiliteit om zich te ontwikkelen, is iets wat altijd al aanwezig was in deze cultuur en wat ook een kracht was van de Balinezen: zij konden als geen ander omgaan met verandering en integreerden al eeuwen lang de invloed van andere eilanden en volken in hun eigen cultuur en maakten dit eigen. Dat zagen we bijv. ook na de komst van de Hindoe-Javaanse vorsten, die naar Bali kwamen, omdat zij werden verdreven uit Java door de opkomst van de Islamitische sultanaten. Hierover zal later nog meer worden geschreven op deze website.

I Tegélan en Ida Bagoes Ketoet Gelodog : grondleggers van de moderne Balinese houtsnijkunst

Voor ander voorbeeld van deze natuurlijke ontwikkeling en het openstaan voor verandering met behoud van de eigen cultuur en identiteit, gaan we weer naar een periode zo rond de jaren ’30 vand e vorige eeuw. Dit voorbeeld is nog specifieker gericht op de Balinese houtsnijkunst en gaat over de houtsnijder I Tegélan die in opdracht van de bekende schilder Walter Spies een houtsnijwerk zou maken.

I Tegélan vond in het bos een mooi lang stuk hout en vond het zonde om dit stuk hout doormidden te zagen. In plaats daarvan paste hij het beeld aan, aan het formaat van het stuk hout en creëerde zo een langgerekt beeld. Het begin van een nieuwe stijl en een geweldig idee van deze Balinese houtsnijder!

Dit beeld was ook een traditioneel figuur, maar met meer langgerekte vormen, zoals de Tjili figuren dat ook hadden. Er word regelmatig genoemd dat I Tegélan daarvoor geïnspireerd zou zijn geraakt door de schilderijen van Covarrubias, echter wordt vaak vergeten dat Covarrubias op zijn beurt weer was geïnspireerd door de Tjili figuren! Dat beeld is hieronder afgebeeld:

Dat het niet volledig klopt, dat de Westerse kunstenaars een nieuwe stijl hebben geïntroduceerd in het Balinese houtsnijwerk, bevestigd een citaat van Rudolf Bonnet zelf over dit beeld, uit het tijdschrift ‘Djawa’ uit 1936. Ook hij noemt dat deze voorstellingen altijd al aanwezig waren. Hij zegt het volgende over de ontwikkeling van de moderne Balinese houtsnijkunst, de art deco stijl zoals we die nu vaak noemen:

Hierin beschrijft hij prachtig hoe de houtsnijkunst zich ontwikkelde, o.a. met de passage:

‘Aanleiding hiertoe (een nieuwe ontwikkeling) zou een beeld van I Tegélan in Belaloean worden.

Dicht bij dezen kundige houtsnijder woonden toen de Mexicaansche schilder Covarrubias en dikwijls zag hij de overslanke gestalten, die deze schilder onder invloed van de Tjili-figuren in de poera Tatasan bij Badoeng teekende. Toen Tegélan een lang stuk nankahout van Spies kreeg om daaruit een vrouwenbeeld te snijden, gaf ook hij zijn traditioneele figuur, wat langer en fijner vormen.’

Ook hieruit lezen we dat, hoewel het werk van de Westerse kunstenaar Covarrubias de Balinese kunstenaar I Tegélan mogelijk inspireerde, de Westerse kunstenaars eerder zelf beïnvloed werden door kunst uit Indië. In dit geval zelfs direct door Balinese kunst. De schilder Covarrubias werd namelijk beïnvloed in zijn stijl door de Balinese Tjili figuren. Ook lezen we dat de aanleiding voor het ontstaan van het moderne Balinese houtsnijwerk (ofwel het ‘art deco’ houtsnijwerk en andere moderne vormen) dus zijn ontstaan door inspiratie te halen uit de eigen, bestaande cultuur en figuren, in dit geval het Tjili figuur.

Het is dan ook maar de vraag of I Tegélan echt zijn inspiratie haalde uit het werk van Covarrubias. Wellicht had hij de Tjili figuren al in gedachten? Want de reden dat hij zijn beeld lang maakte, was niet omdat hij naar eigen zeggen geïnspireerd werd door Covarrubias, maar omdat hij het zonde vond om zo’n mooi, lang stuk hout in tweeën te delen! En die laatste reden, wordt vaak niet (voldoende) benadrukt, naar ons idee.

Ook Schrijft Rudolf Bonnet over een beeld van Ida Bagus Gelodog uit dezelfde periode:

“Het was niet te verwonderen, dat in dit milieu de nieuwe eenvoud van Ida Bagoes Ketoet’s (Gelodog) beelden alras weerklank en navolging vond. Naast de uitbeelding der Hindoe-goden, figuren uit het Ramayana enz., wier vormen gebonden waren aan het vaste bekende schema van de traditioneele, onpersoonlijke stijl, gingen de 4- 5 houtsnijders in Mas nu beelden maken, waarvan de onderwerpen ontleend werden aan het dagelijksch leven en de gladde, vereenvoudige vormen aan de gestileerde, maar vrije stijl van Ida Bagoes Ketoet’s nieuwe creaties. Mag de Balische kunst de vrije en dikwijls boertig humoristische uitingen naast de officieele mythologische en legendarische voorstellingen steeds gekend heben, nooit te voren werd aan de uitbeelding van deze alledaagsche motieven zulk een belangrijkheid gegeven als nu in Mas en zelden bereikte de Balische kunst in de vereenvoudige vormgeving van deze nieuwe uiting een zoo fijne voornaamheid”.

Bovenstaand citaat is naar aanleiding van een houtsnijwerk in de vorm van een dun, oud mannetje met lange ledematen en een Sirihtas onder zijn arm, gemaakt door Ida Bagoes Ketoet Gelodog. Bovenstaande foto is van een ander houtsnijwerk dat ook door hem is vervaardigd.

Naar ons idee wordt hiermee ten onrechte in het laatste citaat genoemd, dat de vereenvoudigde, gestileerde, gladden vormen nieuw waren. Dit was echter al te zien in de Tjili figuren op Bali, zoals Bonnet zelf ook al beschreef en we daarnaast in de oude kunst van Indonesie op bijv. Nias al terug zien.

Hoe dan ook, met het snijden van deze beelden zouden de houtsnijders I Tegélan en Ida Bagoes Ketoet Gelodog de pionieers worden van de Balinese moderne houtsnijkunst, waar vele andere houtsnijders zich door lieten inspireren. Aanleiding was dus wel een beeld dat vòòr een Westerling, Walter Spies, gemaakt zou worden, maar het idee om een langgerekt beeld te maken, overigens met een klassiek figuur was van I Tegélan zèlf!

Het ontstaan van deze ‘moderne’ kunstvorm is dus niet volledig iets nieuws geweest: de gestileerde figuren waren er altijd al geweest. Verderop in dit stuk zal daar verder aandacht aan worden besteed, aan de hand van een interview uit die tijd, behorend bij een tentoonstelling over Balinese moderne kunst.

De verdere ontwikkeling

Ook de snijder Ida Bagus Njana creëerde uit zichzelf dromerige, volle figuren, iets totaal anders dan wat toen gangbaar was bij de moderne houtsnijwerken. Een unieke stijl, welke ook snel navolging kreeg. Hieronder ziet u een beeld van zijn hand.

Deze stijl zo snel veel navolging krijgen. Houtsnijders als MD Runda en vele andere raakten geïnspireerd en vele houtsnijders begonnen na de oprichting van de Njana (Tilem) gallery hun opleiding hier. Zij sneden de meest prachtige beelden voor deze gallery, waarna een aantal later hun eigen gallery opende. Zo heeft ook Ida Bagus Nyana een enorme invloed gehad op de ontwikkeling en groei van het Balinese houtsnijwerk.

Ook de bekende houtsnijder Rodja opende zijn eigen gallery, nu bekend als de Siadja gallery.

Variatie in het Balinese houtsnijwerk is er dan ook altijd geweest, zoals een variatie in stijl in verschillende regio’s op Bali, waar een Singa beeld in het Noorden van Bali een andere vormgeving had, dan een Singa beeld in het Zuiden van Bali. Ook ontstond er variatie door de aanwezigheid van verschillende  scholen voor houtsnijwerk, waarbij de eigen stijl van de meester werd overgebracht op zijn leerlingen, welke hier weer enige variatie op aanbrachten.

De moderne art deco houtsnijwerken zijn dus zeker niet enkel ontstaan door de invloed van Westerse kunstenaars als Walter Spies, Miguel Covarrubias of Rudolf Bonnet, zoals tot op heden vaak wordt gezegd. Ook niet enkel door de Pita Maha, want de Pita Maha werd pas opgericht, toen deze ontwikkeling al in volle gang was.

Wel is het zo, dat door de oprichting van de Pita Maha haar leden verder werden gestimuleerd en uitgedaagd door deze vereniging om zich verder te ontwikkelen en nieuwe vormen in hun kunst te vinden. Deze stimulans heeft de snelle ontwikkeling van o.a. de Balinese houtsnijkunst mede mogelijk gemaakt. Onder andere door de hoge opbrengsten die de Pita Maha kon realiseren met de verkoop van deze beelden en de wereldwijde cliëntéle die graag deze nieuwe, moderne kunstvorm wilden hebben , ontstond er meer ruimte om te experimenteren: dat experimenteren, werd namelijk beloond.

We zouden kunnen zeggen dat:

Het ontstaan van de moderne Balinese houtsnijkunst is een samenloop geweest van alle bovenstaande omstandigheden en een natuurlijke ontwikkeling, welke later verder werd aangemoedigd door de vereniging Pita Maha, welke originaliteit en vakmanschap beloonde, waardoor de kunstenaars de ruimte kregen om te experimenteren en zich meer los konden maken van het traditionele houtsnijwerk.

Zoals eerder gezegd, veranderde hierdoor langzaam een groot deel van het houtsnijwerk van gebruik: waar het eerder vooral dienst deed in tempels, bij vorstenhuizen en andere belangrijke bouwwerken, begon het nu steeds meer dienst te doen als kunstobject, vaker zonder referentie aan een godsdienst en hiermee veranderde de waardering ervan ook. Waar eerder vooral de Balinezen zelf het houtsnijwerk erg waardeerden, waren het nu vooral de Westerlingen die het houtsnijwerk waardeerden en kochten. Hiermee groeide de markt voor dit houtsnijwerk enorm, nog voor de oprichting van de Pita Maha.

Belangrijk hierbij is ook, dat de norm die gold voor het eerdere houtsnijwerk, langzaam veranderde: eerder was het voor de houtsnijder een heilige en traditionele taak om houtsnijwerk voor o.a. de tempels te vervaardigen, wat hij met veel respect deed. Het was een eerzame plicht, in een tijd waarin iedereen zijn of haar plek in de samenleving kende en de taken die daarbij hoorden. Dit veranderde echter, doordat geld een rol ging spelen, waar hier eerder in veel mindere mate sprake van was. Het houtsnijwerk werd nu gekocht door toeristen, waardoor er veel geld mee te verdienen was. Meer, dan de meeste inwoners van Bali verdienden. Dit maakte dat er in zeer korte tijd vele houtsnijders bijkwamen, waarvan vele van oorsprong geen houtsnijder waren en hierdoor ook niet kwalitatief goede houtsnijwerken konden maken. Ook waren de vormen en verhalen van de figuren die zij sneden voor hen vaak niet (voldoende) bekend. De explosieve toename van het aantal houtsnijders in die tijd toont deze groei van afzetmarkt natuurlijk ook aan.

Houtsnijders gingen vervolgens  een meer persoonlijke ontwikkeling door, waarbij zij soms ook een eigen stijl aannamen. Ook werd er steeds vaker een signatuur op het beeld geplaatst: er in gekerfd aan de onderzijde of opgeschreven met potlood of stift.

Hierdoor ontstond er ook steeds meer verantwoordelijkheid bij het snijden van een houtsnijwerk waar een naam onder geplaatst werd of werd genoemd in een catalogus: het beeld was daardoor immers te herleiden naar de snijder. De kunstenaar stapte hiermee uit de anonimiteit en onderscheidde zichzelf van anderen.

Het standaard signeren van een beeld was echter niet gebruikelijk. Sommige houtsnijders signeerden vrijwel nooit een beeld, anderen deden dit vaker. of enkel op verzoek.

Jammer, want hierdoor zijn nog maar heel weinig beelden terug te leiden naar de houtsnijder. Aan de andere kant is dit ook erg mooi: beelden worden zo beoordeeld op hun individuele kwaliteit en niet op naam van de houtsnijder.

De eerste Balische moderne kunst expositie: Kunstzaal Kolff te Batavia

Een belangrijke bron over het ontstaan van deze nieuwe stroming in de Balinese kunst is de eerste catalogus van de tentoonstelling hierover, gehouden in kunstzaal Kolff te Batavia.*

Hierin staan een aantal vragen, met daarbij antwoorden in interview-vorm, onder de titel ‘Commentaar Expositie-Balica’:

De tweede vraag uit deze catalogus luidt:

‘Hoe komen die Baliërs toch aan die eigenaardige vormen voor deze nieuwere beelden?’

Het antwoord hierop was:

‘Deze vormen zijn allerminst nieuw. Zij zijn integendeel de oudste vormen waarin de Polynesiërs plastisch uidrukking zochten en men kan dezelfde langgerekte figuren, armen en beenen, dan ook vinden in de oudst bekende Balische plastiek etc. ‘

Vervolgens gaat het artikel verder:

‘De djili’s,(of Tjili’s) figuren gebruikt bij lijkverbrandingen etc,. vertoonen dezelfde vormen. De Wajang heeft dezelfde lange armen in haar figuren. De lamaks van Bali vertoonen wederom deze zelfde stijl en in nog tal van andere beelden, figuren, poppen, etc. etc. treft men hem aan. De bezoeker van Bali kan ze overal vinden, die ‘moderne’ figuren en in zooverre is dan niets moderns aan.

Vaak hoort men de opmerking, dat deze stijl ‘geïmiteerd’ zou wezen van modern Europeesch beeldhouwwerk. Ook dit is er geheel en al naast. In het moderne Europa vindt men dergelijke lange armen alleen bij Toorop, doch Toorop..imiteerde de wajangstijl. Het proces is dus juist andersom.

Het eenige moderne in dit beeldhouwwerk zou men kunnen zoeken in het onderwerp, doch ook dit gaat niet geheel op, daar men op de muren van Balische woonerven en tempels ook om den haverklap figuren in steen en hout tegenkomt, die voorstellingen zijn uit het dagelijksch leven van mensch en dier. Het is juist typisch voor Bali, dat er blijkbaar steeds een ‘vrije kunst’ bestaan heeft, een kunst dus die zijn onderwerpen zocht in het ‘alltagsleben‘ , naast de gebonden, de traditioneele kunst, die zich slechts bezig hield en houdt met de voorstellingen uit de eindeloos uitgebreide wereld der goden, der legenden en sagen, der fabels en spreuken van het eiland.

Het behoeft hier nauwelijks betoog, dat het er voor een kunstbeoordeling op zich zelf niets toe doet of er al dan niet ‘invloed’  is ondergaan voor een kunst tot stand komt. Dit is uitsluitend het terrein van den kunsthistoricus. De artistieke waarde is uitsluitend gelegen in de vraag: is dit of dat kunstwerk verantwoord, is het gaaf, is het einheitlich, is het mooi?

Het laatste antwoord op deze vraag blijft, het spreekt van zelf, geheel voor den beschouwer en zal samenhangen met diens artistieke ontvankelijkheid.’

U leest, ook toen werd er al gezien door in ieder geval de geïnterviewde, dat deze moderne vormen en uitbeelding van figuren al lange tijd aanwezig waren op Bali!

Nu hebben we het al eerder in dit hoofdstuk gehad over de kenmerken van de Balinese art deco beelden en hoe deze al eeuwen aanwezig waren op Bali en nabijgelegen eilanden en daarbij enkele voorbeelden genoemd. Natuurlijk hebben we nog zo’n duidelijk voorbeeld. Neem nou het voorbeeld hieronder. Als u kijkt naar de overeenkomsten tussen beide gezichten, de vormen en het lijnenspel dat te zien is, dan vertoond dat toch bijzonder veel gelijkenissen?

Het linkerhoofd is afkomstig van een snijwerk van de Batak uit Sumatra, Indonesië. Het is gemaakt eind 19e, begin 20ste eeuw, ruim voordat de Westerse ‘art deco’ stijl ontstond. Deze strakke en minimalistische snijwijze, welke haast 1-op- vergelijkenissen vertoond met de moderne Balinese houtsnijkunst uit de jaren ’20 / ’30, was dus al aanwezig!

*In de catalogus waarin bovenstaand interview is opgenomen, staat ook een’ lijst der voorwerpen’. Opvallend hierbij is dat er bij de moderne Balische houtsnijwerken wel titels staan als ‘Pedanda Istri (priesteres)’ of ‘Vrouw bij de zoutwinning’, maar er geen namen van de houtsnijders bij staan, iets wat in latere catalogi wel staat beschreven. Daar staan bij veel moderne houtsnijwerken achter de titel (of er voor) de naam van de kunstenaar, zoals ‘Kt. Rodja’ of  ‘Md. Geremboeang’.

Toerisme en de groei van de houtsnijkunst

Niets heeft voor zo’n grote groei en verandering gezorgd binnen de Balinese houtsnijkunst als het toerisme. Sinds de opkomst van het toerisme namen het aantal houtsnijders explosief toe, nadat men zag dat er aardig mee te verdienen viel. In Mas, het houtsnijwerkcentrum op Bali (tot op de dag van vandaag), werkten in 1932/1933 twee houtsnijders met twee leerlingen. In 1938 waren dat er 350!

Dat klinkt wellicht veel, maar als wel berekenen wat de procentuele toename is, dan is dat wellicht nog schokkender: een groei van 8650%!

Met deze groei, werd vraag en aanbod ook steeds op elkaar afgestemd. Want die groei was alleen mogelijk, als er ook verkocht werd. Er werd en wordt, daarom handig ingespeeld op wat toeristen graag kopen en zo nodig, werd en wordt daar het snijwerk op aangepast!

De heer Ir. P.H.W. Sitsen sprak over deze groei tijdens een voordracht over de nijverheid- en kunstnijverheidsontwikkeling op Bali, die hij aan boord van de ss. ‘Op ten Noort’ hield op 18 oktober 1937.

Dit stuk staat beschreven in een ander deel van het tijdschrift ‘Djawa’, namelijk volume 18 uit 1938.

Hij schrijft hierover het volgende:

‘Het eigen snijwerk voor de woningen der vorsten, voor de poera’s, voor in- gangspoorten, woningen, godenbeelden, muziekinstrumenten, maskers voor too- neel, enz., dit alles was op Bali tot bloei gekomen als eigen cultuurbezit. Nog is dit een betrekkelijk bloeiend bedrijf. In enkele jaren tijds zien wij daarnaast ontstaan een houtsnijkunst voor export. De eigen cultuur had deze economische en technische verandering blijkbaar noodig, anders is de snelle ontwikkeling onverklaarbaar. Geenszins wil ik hiermede zeggen, dat dit direct beteekent een verrijking van de cultuur. Het kan een noodbloei zijn, doch wij staan op te korten afstand van dit ge- beuren, om hierover een uitspraak te kunnen doen. Vijf jaar geleden werkten in desa Mas twee houtsnijders met twee leer- lingen. Thans zijn er 76 meester-hout- snijders, die elk drie tot vier gezellen in hun werkplaats hebben. Een totaal van ongeveer 350 houtsnijders werken thans in deze eene desa voor export of verkoop aan touristen. In de desa’s Panti en Belong in grooten getale, in de andere desa’s om Den Pasar overal verspreid, werken nogmaals 350 houtsnijders met hetzelfde doel. Merk- waardig is het, dat meer dan 50% dezer houtsnijders behoort tot de hoogere hasten, de ,,Triwangsa” ; 29% ervan behoort tot de Brahmaan-kaste. Wanneer men bedenkt, dat van de to- tale bevolking van Bali slechts 6,4% van ,,kaste” is, moet dit verschijnsel als belangrijk worden aangemerkt. Naast deze 700 houtsnijders zijn afzonderlijke handelsbedrijfjes in het houtsnij-artikel ontstaan, terwijl teerders en ververs de beeldjes bronzen en kleuren. Aangeno- men kan worden op grond van gehou- den tellingen, dat een looo-tal arbeiders en handelaren zich met deze in vier jaren ontstane kunstnijverheid, bezig- houdt.’

Zoals u leest, zijn er in korte tijd zeer veel houtsnijders bijgekomen. Dat had als gevolg, dat niet al het houtsnijwerk van even goede kwaliteit was. Duidelijk is, dat ook deze snelle ontwikkeling en groei, vanuit de Balinezen zelf kwam (ondanks dat de kwaliteit vaak te wensen over liet). Zij wisten zich in rap tempo aan te passen aan de vraag om meer houtsnijwerk. Een natuurlijke ontwikkeling van vraag en aanbod, gevoed door Westerlingen, maar geheel op het gebied van de eigen kunst en cultuur en op eigen initiatief.

Een ontwikkeling, die tot op vandaag de dag gaande is, dynamisch, zoals deze al eeuwen is. Ook de afgelopen 30 jaar zien we dit sterk. Toen buddha beelden populair waren, werden er op Bali veel Boeddhabeelden gesneden. Als toeristen interesse hadden in een mooi aandenken dat hun herinnerde aan wat zij hadden gedaan tijdens hun reis door Bali, werden er surfplanken, schildpadden enz. gesneden. Ook dit is een logische verandering in het houtsnijwerk. Tegenwoordig zien we dit aan de veranderingen in het houtsnijwerk op Bali, waarin steeds meer Aziatische voorstellingen worden gesneden, zoals Chinese goden en voorstellingen. Vaak krijgen deze figuren, zoals een draak, Balinese namen. De draak wordt dan een naga Basuki genoemd bijvoorbeeld. Ook dit heeft te maken met vraag- en aanbod en de groei van het Aziatisch toerisme op Bali. En ook hier spelen de Balinese houtsnijders uit zichzelf goed in op de vraag van dat moment. Meer hierover kunt u lezen in het hoofdstuk ‘De Tijdlijn’ , te vinden onder Verdiepingsinformatie.

Conclusie

Aan de hand van verschillende relevante bronnen van voor, tijdens en na de ontwikkeling van het moderne Balinese houtsnijwerk, kunnen we stellen dat deze is ontstaan door een combinatie van factoren.

  1. De aanwezigheid van de gestileerde figuren en vormen zijn al eeuwen aanwezig geweest op Bali en in Indonesië, dus nog vóór de ontwikkeling van het moderne Balinese houtsnijwerk. Ook op Bali zelf waren er al eeuwenlang verschillende vormen van kunst (ook al heette dat nog niet zo), waarin we deze figuren zo terug zien: De Tjili figuren, de Kamasan figuren, de houten polychroom beelden en de Wayang poppen.
  2. De belangrijkste directe aanleiding voor het ontstaan van het ‘moderne’ Balinese houtsnijwerk is de eigen inventiviteit en originaliteit van de Balinezen, immers gaf het beeld van I Tegélang directe aanleiding en inspiratie voor een nieuwe stijl, geheel vanuit zijn eigen fantasie. Niet vanuit Westerse beïnvloeding, sterker nog, Tegélang vond het zonde om het stuk hout dat hij vond in tweeën te delen: hij koos er zelf voor om er één langgerekt beeld van te maken wat overigens ook nog eens een traditioneel figuur was! Hierna hebben de houtsnijders onderling veel van elkaar geleerd en raakten zij door elkaar en anderen geïnspireerd.
  3. Niet enkel Westerlingen als Walter Spies en Rudolf Bonnet, maar net zo sterk Balinezen, zoals Tjokorde Gde Raka Soekawati, hebben het mogelijk gemaakt, dat de Balinese houtsnijders zich in rap tempo konden ontwikkelen in de moderne houtsnijkunst, door hen te stimuleren, goede prijzen te realiseren voor de verkoop van de beelden en bekendheid te creëren. Dit deden zij o.a. met de oprichting van het Balimuseum en later de Pita Maha. Deze moderne stijl had zich dus al ontwikkeld, vòòr de oprichting van de Pita Maha.
  4. Hoewel deze specifieke moderne vorm van houtsnijwerk nieuw leek, was deze altijd al in andere vormen aanwezig en misschien wel niet zo nieuw, als tot nu toe altijd werd aangenomen.

Wellicht is het zo het beste te stellen:

De ontwikkeling van de (moderne) Balinese houtsnijkunst is iets wat uit de Balinezen zelf kwam, geïnspireerd op eeuwenoude, eigen kunst. Deze kunst kwam weer voort uit kunst die ontstond door voorouderverering en Animisme, welke vervolgens beïnvloed werd door de komst van het Hindoeïsme en zich zo eeuwenlang heeft door ontwikkeld.

De Balinese houtsnijkunst is altijd in beweging en aan verandering onderhevig geweest.

Een natuurlijke ontwikkeling die in de jaren ’20/’30 van de vorige eeuw, steeds sneller gestimuleerd werd om zich verder te ontwikkelen met behulp van onder andere het Balimuseum, de Pita Maha en de opkomst van het toerisme. De vrije geest en de eigenschap om nieuwe zaken te adapteren in de eigen cultuur, zorgde voor een vloeiende ontwikkeling en het ontstaan van deze moderne nieuwe stroming binnen de houtsnijkunst.

Wanneer er gezegd wordt, dat de Balinese moderne houtsnijkunst (of de art deco stijl) ontstaan is door de beïnvloeding door Westerlingen, klopt dit dus niet. Hiermee wordt een belangrijk stuk voorgeschiedenis overgeslagen, waaronder het feit dat de Westerlingen eerst beïnvloed werden door exotische kunst met als gevolg het ontstaan van de art deco stijl en wordt het feit dat de Pita Maha een gemengde organisatie was van Westerlingen en Balinezen die elk zeer belangrijk waren voor het slagen van de Pita Maha, vergeten.

Ook het feit dat de voor de art deco zo kenmerkende gestileerde en langgerekte figuren, patronen en het lijnenspel al eeuwenlang aanwezig was op Bali (en andere Indonesische eilanden) wordt hiermee vergeten. Alsmede dat met deze vormen, figuren en patronen ook al kunst werd vervaardig. Dit heette enkel geen kunst, doordat het inheemse gebruiksvoorwerpen waren, vaak belangrijk en heilig. Tegenwoordig zien we deze objecten als kunst, maar dat is een moderne, Westerse interpretatie van iets wat al eeuwenlang aanwezig was.

Een andere belangrijke factor die wordt overgeslagen, is dat de moderne art deco stijl op Bali zich enkel zo heeft kunnen ontwikkelen, door de grote flexibiliteit van de Balinese houtsnijders, die al eeuwenlang kunst, cultuur en gebruiken adapteerden.

Inspiratie

Kortom, inspiratie heeft elke kunstenaar. Inspiratie sijpelt door alle kunststromingen en kunstwerken heen en raakt elkaar door verschillende stijlen en perioden. En deze inspiratie zal altijd invloed hebben op de gemaakte kunst. Dit betekent niet, dat de gemaakte kunst enkel of vooral is ontstaan door waar deze inspiratie vandaan kwam: het is altijd de keuze van de kunstenaar hoe hij/zij een bepaald object vormgeeft en of hij/zij daarmee iets nieuws, iets origineels creëert.

Zeker wanneer we kijken naar bijv. het moderne houtsnijwerk van I Tegélan, zien we dat er overeenkomsten maar vooral ook genoeg verschillen en variatie te zien is met het werk van Miguel Covarrubias. En juist in die verschillen, zien we originaliteit en iets nieuws ontstaan.

Een Westers perspectief

Het is belangrijk om met de kennis van nu, terug te kunnen kijken op de geschiedenis: We weten inmiddels dat vaak (zeker wanneer het zaken uit het koloniale verleden betreft), de geschiedenis met name vanuit Westers perspectief is verteld. Niet zelden, wordt hierbij het aandeel van het niet-Westerse land/gebied/volk vergeten of gebagatelliseerd. Citaten werden (soms onbedoeld) uit hun verband gerukt of naar Westers perspectief geïnterpreteerd en verspreid. Zo werd een onvolledig beeld geschept waarin met name de Westerse wereld als belangrijkst werd aangemerkt.

Wanneer we dit toepassen op de ontwikkeling van de moderne Balinese houtsnijkunst, zien we dit ook gebeuren: tot op vandaag de dag word met name de invloed van Westerlingen genoemd. Namen als Walter Spies en Rudolf Bonnet worden vaak aangehaald, maar namen als Tjokorde Gde Rake Soekawati worden niet tot zeer weinig genoemd. Er is veelal geschreven dat het startsignaal voor de moderne houtsnijkunst het beeld van I Tegélan was en dat hij dit maakte door geïnspireerd te zijn door het werk van Covarrubias , maar er wordt zelden genoemd dat hier voorafgaand Covarrubias zijn werk maakte na geïnspireerd te zijn door Balinese kunst. En dat het I Tegélan vooral ging om het niet doormidden zagen van zo’n mooi stuk hout, waardoor hij deze lange vorm creëerde, wat overigens ook een traditioneel Balinees beeld was qua verdere vormgeving. En ook dat deze langgerekte vormen al eeuwenlang aanwezig waren op Bali en dus ook zichtbaar van de toenmalige houtsnijders.

Het is begrijpelijk dat richting het Westen ter promotie van de Balinese moderne kunst, vaak Westerse bronnen werden genoemd met verstand van zaken. Dit droeg in deze tijd bij aan de herkenbaarheid en importantie van een boodschap. Een Westerse naam, sprak het publiek, dat vaak nauwelijks weet had van wat er overzee gebeurde, natuurlijk meer aan dan een vreemd klinkende naam, van iemand wiens reputatie in het Westen onbekend was. Hiermee werd vaak ten onrechte, de indruk gewekt dat het met name de Westerse wereld was, die haar invloed wist uit te oefenen op bijvoorbeeld de Balinese houtsnijkunst en daarin het meest belangrijk was. Tegenwoordig kunnen we ons afvragen, of we dit, bijna 100 jaar later, in stand moeten blijven houden, of dat we een verantwoordelijkheid moeten dragen om dit soort zaken, groot en klein, onder de loep te nemen en een realistischer, objectiever beeld moeten scheppen, ook als dit betekent dat op sommige vlakken, in meerdere of mindere mate, de geschiedenis moet worden herzien.

Wij pleitten voor dat laatste.